Het verlengde van de breuk,
zoals het gemis van een losgerukte vrucht.
Blind op zoek naar zijn oorspronkelijke paradijs.
Jij ruikt al te gauw naar de zon,
die zijn eerste ogen,
op jou heeft gebrand.
Jij ruikt al naar een andere wereld,
ver van mijn Atlantis,
spiegelpoel van de hemel.
Jij kleurt nu de wangen van anderen,
door in de wereld te staan,
en te vallen.
Je was mijn sterkte,
maar het is niet meer intens,
niet langer in mij
mijn gehouwen, visceraal altaar.
Niet in mijn water,
niet in mijn handen.
Als het kwade oog drukt
op de deur van je muizenis
en jouw boodschap
enkel door mij begrepen wordt,
kruip dan terug naar mijn schoot,
met een boeket lelies in de hand.
Zo zijn we eeuwig puur
en ongeschonden.