maandag 21 april 2014

Wees gegroet


Ik zie het groen overal
nee, ik hoef niet eens te zoeken,
het achtervolgt me
zonder waarschuwing 
staat het voor me.

Een kleine nuance die het perfect
maakt, haast angstaanjagend,
naast de rode rust
van bakstenen die me warm houden.
of zeg maar
rode roest.

Ik zie jouw groen 
in andermans blauw.
ik zie Maria naar me 
lonken, haar schouders
ontblotend.
Haar ogen staren
en blijven dwalen
in het diepste van mijn gebed.

Ik smeek,
God ik heb gesmeekt,
- maar niet tot U,
Uw diplomatische ontrouw
biedt geen warme schoot -
gesmeekt
dat mijn hart moet stoppen
zo oorverdovend
door te draven
als een neukend konijn.
Straks hoort ze mijn kreten
en bezoekt ze mijn bed,
een Magere Hein,
maar dan met negligé.

Dan is het te laat
om te bidden,
dan ben ik
haar nieuwe gebed.

De vogelzang

De vogel zong,
naast de autosnelweg,
haar geliefde toe
dat ze naar een plaats verlangde
los van de wereld
waar de tijd stil stond
en niemand wist
hoe mooi het was
de tijd die ze met elkaar deelden.

De vogel zong,
naast de rijke wijkjes,
haar geliefde toe
dat ze niet kon geloven
Hoe snel de tijd voorbij ging
en ze hem weer had gemist
onder de treurwilg,
die zich in eenzaamheid
boog over het water.

De vogel zong
haar laatste lied,
zonder te weten
dat haar lief gemaakt was
van plastiek.
Zo'n ding dat een mens
vastbond aan een boom,
maar de wilg kon niet zingen
en boog zich verder
in hun verdriet.