Elke ochtend rek ik me uit
Wel twintig keren
Omdat ik weet
Dat zij naar me kijkt.
Er is geen groter geluk
Dan telkens weer
Geboren mogen worden.
Telkens een hand die je voorhoofd streelt
Alsof je voor het eerst was.
Alsof je voor het eerst je ogen opendeed
En in haar bijzijn lag.
Elk ontwaken is zij mij voor,
Alsof ze me behoeden wil
Of zich al excuseert
Voor het gesnurk van 's nachts.
Ik kijk telkens naar het licht
Dat door de spleet
Van haar gordijnen
Ons zachtjes tot zich trekt.
Ik wen aan de orde van de dag.
Zij wat bleker dan 's nachts,
Alsnog een kleur die in 't licht
mij niet verblindt
maar verlicht.
Ik denk aan haar tranen
Zoals een goed glas wijn.
Ze vallen niet
Ze plakken
En willen soms
Niet uit haar ogen zijn.
Ik kan niet anders dan falen
Als woordenmanipulatrice
Als klankentechneut
Als beeldenstukadoor
Om te vatten
Wat zij kan zeggen
Met haar ingedikte tranen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten